NEDERLANDS-INDIE, DEEL 4

Delen 1 tot en met 3 zijn gepubliceerd in Sinte Barbara, vakblad van de Vereniging Officieren Artillerie

‘WAT VOORAF GING’ IN DEEL DRIE VAN HET FEUILLETON.

Op Midden-Java was de Tweede Politionele Actie c.q. de Tweede Onafhankelijkheidsoorlog, in volle gang. De Indonesische strijdkrachten hanteerden de ‘Tactiek der Verschroeide aarde’ en vernielden alles wat voor de KL en KNIL-strijdkrachten van nut zou kunnen zijn. Magelang lag halverwege de opmars route van het Andjing Nica-bataljon en werd zwaar getroffen door het oorlogsgeweld. In deze stad werden de drie blanke Nederlandse kinderen Dolf, Stans en Guus Marks gevangengehouden door de als weeshuis-directeur vermomde crimineel Pah Sugèn. De kinderen Marks gingen toen nog door het leven onder hun Javaanse namen, respectievelijk Sunarto, Suharti en Sjugito.

Andjing Nica zag reeds van verre aan de zwarte rookwolken dat het mis was in Magelang en haastte zich naar de stad. Zij konden helaas niet voorkomen dat de wegtrekkende Indonesische soldaten alles in brand staken en vreselijke misdaden begingen. Zo was Suharti getuige van een massamoord in de gevangenis, waar onder andere de held van velen, zanger King Ngoko, werd vermoord.

Magelang werd ’s nachts ingenomen door Andjing Nica en de volgende dag reden de foeriers Dick van Geffen en Leo Piek de stad in met ‘Veel Geschreew… maar… Weinig wol’, hun kantinewagen. In hun schuilplaats kregen zij na het werk bezoek van de Ambonese sergeant Hia en hiermee begon een avontuur dat hun leven zou veranderen.

MENSENREDDERS LEO EN DICK.

Op Java liepen drie jaar na de capitulatie van Japan, nog duizenden Nederlandse vrouwen en kinderen ontheemd rond. Iedereen moest naar hen uitkijken en Sergeant Hia van de Militaire Inlichtingendienst had lijsten meegekregen, maar vanwege hun Indonesische namen stonden de kinderen van Marks daar niet op.

Hia kwam hen op het spoor dankzij de Indische chef-kok, sergeant-majoor Kit Schuiving van het Andjing NICA-bataljon, die een haveloos zwervertje tegenkwam en in het schuwe, vuilbruine gezicht twee groene ogen zag die hem angstig aankeken. Dit moest zeker een van de vele vermisten zijn en hij vroeg zijn naam.

‘Sunarto toean.’ Schuiving liet zich niet misleiden door die Javaanse naam.

‘Sunarto, wil je wat eten? Je zult wel honger hebben… ga je mee?’ Legde zijn arm om de schouder van de magere jongen en samen liepen ze naar het kamp, waar de kok zich over hem ontfermde. Al snel achter kwam Kit erachter dat zijn echte naam Dolf Marks was, inderdaad een vermiste Hollander. Dolf vertelde dat ook zijn broertje en zusje in Magelang gevangen werden gehouden in het huis van Pah Sugèn…

De Nederlandse soldaten werden niet zo feestelijk ontvangen als de Jappen vijf jaar geleden, maar van vijandigheid was ook niet veel te merken. De mensen leken blij met de met lekkernijen strooiende Belanda’s,  maar toonden die blijdschap niet openlijk, omdat de stad nog vol zat met soldaten van TNI en Hisbullah.

Toch pikten de meeste inwoners van Magelang hun graantje mee. Behalve in huize Sugèn, waar nog steeds honger werd geleden en daarom vroeg Sjugito of hij in de stad naar eten kon zoeken. Dat mocht, maar er moest een soldaat met hem mee en zijn zus Suharti bleef hier… als hij niet terug zou komen of de vijand zou vertellen dat er in dit huis soldaten waren, dan zou er wat met haar gebeuren…

Sjugito vroeg of Enoch mee mocht, Pah knikte en daar gingen ze.

Zodra ze op straat waren stelde Sjugito voor om naar het Belanda legerkamp te gaan. Misschien kregen ze daar wat te eten. Enoch vond dat een heel slecht idee. Hij was bang dat de Belanda’s hen zouden doodschieten. Maar honger overwon zijn angst en ze gingen. Een andere keus hadden ze niet, want Magelang lag in puin. Ze vonden het legerkamp en vol bravoure stapten ze naar de zwaarbewapende soldaten bij de ingang. In gebrekkig Nederlands legden ze uit dat ze weeskinderen waren en vroegen of ze naar de keuken mochten. Een van de wachtposten kreeg medelijden en stuurde hen naar de koks, van wie ze een doos legerrantsoenen kregen… stoofschotel van rijst met corned beef in blik.

 

De jongens waanden zich in de hemel en achter een muurtje prutsten ze een blik open. Het feestmaal begon, tot… Sjugito op het pleintje een jongen zag lopen, ook op zoek naar eten.

‘Dat lijkt Sunarto wel.’ Hij wilde net roepen toen Sunarto werd gearresteerd door een Nederlandse patrouille…

De Chef-kok meldde de vondst bij zijn commandant en een klein uur later moest Schuiving zich melden, samen met de jongen. Naast de kapitein zat een donkere sergeant van de Inlichtingendienst. Dolf was op van de zenuwen en verstond de Nederlandse taal maar amper, daarom ging sergeant Hia over op Maleis. Dolf vertelde waar zijn broertje en zusje gevangen werden gehouden en door wie…

‘Pah Sugèn?! Je bedoelt luitenant Sugèn van de Siliwangi-divisie?’ vroeg sergeant Hia. Dolf had geen idee, hij wist wèl dat Sugèn vaak in uniform liep. Sergeant Hia vertelde dat de man Inlichtingenofficier van de TNI was en vriend van generaal Nasution, de Commandant van de vijandelijke divisie. Om zijn werk te kunnen doen had Sugèn zich vermomd als weeshuis-directeur.

De gevechten waren nog in volle gang en de kapitein liet de zaak over aan Hia. Schuiving mocht Dolf bij zich houden en wees Hia op die twee foeriers met hun kantinewagen, misschien konden zij die andere kinderen ophalen, dat waren flinke kerels die je om een boodschap kon sturen en bovendien hadden alle andere soldaten het te druk met de vijand, die nog verre van verslagen was.

‘Dat lijkt Sunarto wel.’ Hij wilde net roepen toen Sunarto werd gearresteerd door een Nederlandse patrouille…

In hun schuilplaats trof sergeant Hia de foeriers Dick en Leo en deed het verhaal over de twee kinderen die door de TNI gevangen werden gehouden. Hij vertelde erbij dat het ging om de beruchte luitenant Sugèn en dat het een gevaarlijke operatie betrof, dat snelheid geboden was en hij niemand anders wist. Leo en Dick vonden het spannend, maar waren geen lafaards en aarzelden geen moment. Natuurlijk zouden zij het doen!

De Ambonese sergeant had de plek reeds verkend en na wat voorbereidingen zou hij terugkomen om alles goed door te spreken.

Een uur later was Hia terug… hij had het meisje Stans gesproken en haar gezegd dat zij en Guus de volgende dag door twee militairen zouden worden opgehaald. Leo en Dick moesten doen alsof zij hun ooms waren.

Sjugito en zijn vriend Enoch Sannian waren in de veronderstelling dat Sunarto werd gearresteerd toen twee Hollandse soldaten hem meenamen naar hun kamp. Het voorval vertelden zij niet aan Suharti, die had het al moeilijk genoeg. Zij moest de voorkamer schoonhouden en het erf aanvegen, de rest van de tijd moest ze binnen op een tampatje blijven zitten… het blanke gijzelaartje en haar broertje waren de levensverzekering van Pah Sugèn.

Enoch was één van de TNI-soldaten die in het koloniale huis verborgen zat. Hij moest de gijzelaars bewaken en Pah Sugèn vertrouwde hem volledig. Wat Pah niet wist, was dat Enoch al jaren bevriend was met de Marksjes. Zijn taak bestond onder andere uit de sluitronde aan het eind van de dag en ’s ochtends hetzelfde ritueel in omgekeerde volgorde. In de kamer waar Suharti werd vastgehouden stond een rode bank en een tafel met een dik kleed. Enoch liet haar iedere avond op de bank liggen en dekte haar toe met het tafelkleed. ‘s Ochtends maakte hij haar als eerste wakker en legde het kleed netjes terug, zodat niemand zou zien dat het ook als deken werd gebruikt. Suharti ging dan weer in de hoek zitten alsof er niets was gebeurd.

Zodra het licht werd moest ze het erf aanvegen en vooral goed op de weg letten… en Pah waarschuwen als er Belanda-soldaten aankwamen. Daarom loerde ze voortdurend tussen de bladeren door naar wat er op straat gebeurde.

Plots hoorde ze iemand zachtjes roepen;

‘Constance… Stans…’

‘Hoe kan dat nou?’ Dacht ze, die naam had ze al jaren niet gehoord en was vergeten dat dat haar echte naam was. Opnieuw zachtjes;

‘Stans… Stans…’

Nieuwsgierig keek ze eens goed en zag aan de andere kant van de haag een Ambonese soldaat staan. Hij fluisterde weer;

‘Stans, kom eens hier.’

‘Maar ik ben Suharti’, zei ze toen ze al vegend dichterbij was gekomen.

‘Ja, maar je bent toch ook Constance Marks?’ Haar hart sloeg over terwijl haar geheugen zijn werk deed.

‘Ja… vroeger’, zei ze tegen sergeant Hia.

‘Luister goed, doe zo gewoon mogelijk… blijf vegen… morgen komen twee Hollandse soldaten jou en je broertje hier ophalen. Je moet dan net doen alsof het jullie ooms zijn… en zorg dat Guus er ook bij is… Stans, heb je me begrepen?’

In trance knikte Stans en toen ze opkeek van haar veegwerk was de man verdwenen. Ze keek snel om zich heen of niemand het had gezien.

‘Nee, niemand’, dacht ze, ‘maar hoe krijg ik Sjugito hier?’En begon gelijk met de voorbereidingen… ze zeurde net zo lang dat ze haar broertje bij zich wilde hebben, tot ze haar zin kreeg.

De volgende dag was zij aan het vegen en zat Sjugito op de trap toen er plotseling twee Hollandse soldaten het erf op stapten.

‘Dag Stans, dag Guus, hier zijn we dan, oom Leo en oom Dick… kom geef me een knuffel.’

Als ware toneelspelers gaven Guus en Stans hun ‘ooms’ een knuffel. De twee kinderen konden hun geluk niet op en verloren zich in het moment, tot dat bruut werd verstoord door Maleis gebrul.

Ineens stond het erf vol boze Javanen met pistolen in de aanslag… gericht op oom Dick en oom Leo. Die bleven ijzig kalm en drukten ieder een kind tegen zich aan, Leo had Guus en Dick hield Stans stevig vast.

‘Wij komen onze nicht en neef ophalen, wij zijn hun ooms!’ Hun leven stond op het spel, maar lieten de kinderen niet meer los. Van angst geen spoor op de gezichten van de Hollanders… wel van boze vastberadenheid… de dood of de gladiolen, straalden ze uit. De kinderen waren wèl bang… zíj wisten waar die bruine soldaten toe in staat waren. Ze dreven Leo en Dick het huis in, waar ze in de voorkamer onder schot werden gehouden, maar de mannen lieten hun kind niet los… geen moment.

Daar kwam Pah Sugèn de kamer binnen.

Suharti en Sjugito verstonden niets van de hevige ruzie in het Nederlands, zo lang hadden ze die taal al niet gehoord. Suharti had gezien hoe wreed Pah kon zijn en was doodsbang… er werd geschreeuwd, gescholden en soms gewoon gepraat. Oom Dick praatte het meeste en was totaal niet bang voor de beruchte TNI-officier. Ze klemden de kinderen tegen zich aan om te voorkomen dat die peloppers hen ineens weg zouden grissen.

Na een tijdje gebeurde iets totaal onverwachts… Sugèn leek uitgepraat en met een wegwerpgebaar zei hij;

‘Ajo, pergi ke sana, membawa itu anak belanda, ajo, ikut, ikut…’

Dick en Leo verstónden het niet maar begrépen het des te beter en liepen gelijk naar de deur, terwijl de soldaten hun pistolen lieten zakken. Doodkalm riep Dick toen hij naar buiten stapte; ‘Trima kassi toean!’ Maar nadat Sugèn had gezegd dat ze snel moesten wegwezen met die belanda-kinderen, was hijzelf alweer verdwenen, en op hun gemak met ieder een kind aan de hand, wandelden ze de straat op, de hoek om en weg waren ze.

VAN DE HEL IN DE HEMEL

In de gammele opslagloods stond de imposante soldatenwagen… heel anders dan de tanks, pantserwagens en gewone legertrucks die zij tot dan toe hadden gezien. Het was een gewone, moderne vrachtwagen, maar dan groen geverfd. Het was een wonder op wielen en zij waanden zich in de hemel. De twee vieze, misvormde kinderen keken ademloos… zoiets hadden ze nog nooit gezien.

‘Hebben jullie trouwens nog spullen in het huis liggen?’ Hoorden ze iemand in het Hollands vragen, vreemde taal, zo hard, zo bekend… O, het was de soldaat die hen had meegenomen.

‘Nee… we hebben alles…’, zei het jongetje met de spillebenen, dikke buik en dik hoofd. Hij had een vies kort broekje aan en het meisje een even vies jurkje. Een zwart tasje hing aan een touw om haar nek.

‘Is dat alles?’ Vroeg de soldaat nogmaals.

Suharti en Sjugito knikten, volledig van de kaart door de gebeurtenissen van de laatste minuten. Het besef dat ze waren gered uit de klauwen van de TNI was nog niet geland. Daarvoor hadden ze te vaak meegemaakt dat hun lot leek te kantelen, maar hen toch steeds nog meer rottigheid wachtte. Al zes jaren, nee, hun hele leven lang, kwamen ze van de ene ellende in de andere. Zij geloofden niet meer in geluk… ze waren gewend om af te zien, te lijden, te vechten voor hun hachje, weg te kruipen om in leven te blijven of juist vol branie haantje de voorste te zijn als er wat te eten was. Zij hadden zoveel bloed, wonden, doden, stinkende darmen, zieken, uitstekende botten, afgehakte hoofden en verbrandde lijken gezien… ze waren kapot van binnen, één grote wond die nooit meer zou genezen… die binnenkant was niet zichtbaar, de buitenkant wel en die was er even slecht aan toe… Sjugito had constant pijn aan benen en buik door hongeroedeem. Zijn ogen brandden in zijn dikke hoofd, waar het vocht zat opgehoopt. Hij wreef om de haverklap om het zicht te verbeteren, maar zonder resultaat. Suharti zat onder de dikke puisten en zweren, zij liep mank en ook haar ogen werkten nog maar op halve kracht.

Met open monden staarden ze naar die vrachtwagen vol lekkernijen… tot de twee soldaten zich nogmaals voorstelden als oom Dick en oom Leo en zeiden dat hun broer Dolf ook veilig was en bij andere soldaten zat. Zij konden bij hen blijven, ze hadden al een paar veldbedden klaargezet.

Maar eerst belangrijker zaken… hun gezondheid en kleding… daar was het duidelijk zeer slecht mee gesteld.

Ze namen de kinderen mee naar een Chinese kleermaker die hun maten opnam en nieuwe kleren voor hen zou maken.

Vlnr: Oom Leo, Guus, Oom Dick, Stans (showen de nieuwe kleren die Leo en Dick voor hen hadden gekocht).

Daarna mochten ze in de cabine van de vrachtwagen klimmen en reed Leo rechtstreeks naar de legerarts voor een onderzoek en de dokter had zijn handen vol aan de kleine patiënten. Hij constateerde dat Stans en haar broertje Guus aan ernstige beriberi leden… en dat het een wonder was dat ze nog leefden. Ze waren echt op het nippertje uit handen van de vijand gered, en het gevaar was niet geweken… de twee waren zo ziek dat ze nog steeds aan hun ontberingen konden overlijden. Een streng dieet was het enige dat hen kon redden.

Daarna onderzocht de dokter hun wonden… zuchtend van medelijden met deze twee stakkers werden alle zweren schoongemaakt en met een dikke klodder zwarte stinkende ichtiolzalf verbonden. Dick en Leo kregen een doos verband en potten ichtiol mee om hun kinderen verder zelf te verzorgen, want de dokter had nog meer patiënten, zijn ziekenboeg lag vol gewonde Nederlandse en TNI-soldaten, want onderscheid tussen vriend en vijand maakte deze Indische dokter niet… als die er al was.

De foeriers vonden het vreselijk dat zij de twee niet mochten verwennen met al dat lekkers, maar de dokter had duidelijk gezegd dat dat dodelijk kon zijn, dus voor Stans en Guus zat er niets anders op dan watertandend naar de lekkernijen te kijken zonder er aan te komen. En dat viel met die honger niet mee. Zij moesten het doen met rijstepap in plaats van heerlijke corned beef of een reep chocolade.

Twee dagen later waren de nieuwe kleren klaar. Voor Stans een roze jurkje en voor Guus een wit overhemd met bijpassende witte korte broek. Soldaat Leo Piek had zelfs sokjes en schoenen in de juiste maat meegekregen en de Marksjes voelden zich de koning te rijk, tot het volgende probleem zich aandiende. Hoe hou je deze mooie kleren schoon terwijl je onder de zwarte ichtiol zat? Gelukkig hadden hun ooms in Semarang meer kleding gekocht, zodat ze konden afwisselen. Helemaal blij waren ze toen ze na een paar dagen af en toe een stukje Kwatta kregen, voorzichtig uitproberen of hun gestel dit al zou verdragen. De foeriers verzorgden hen alsof het hun eigen kinderen betrof en lieten hen nooit alleen… als zij met de vrachtwagen ergens heen moesten, gingen Stans en Guus mee. En het werd nóg leuker. Kerstfeest, voor het eerst in jaren! Oom Dick had een stalletje met het kindje Jezus gemaakt en had leesboekjes voor hen. Echte kerstcadeautjes, Guus kon zich niet herinneren dit ooit te hebben meegemaakt. Stans wel… vaag herinnerde ze zich het verdriet toen Papa haar pop zomaar weggaf… heel lang geleden.

Met de boekjes probeerden Dick en Leo de twee kinderen te leren lezen… goed bedoeld, maar er kwam niets van terecht met die beschadigde ogen, bovendien was het Nederlands. Dus lazen ze de verhalen voor en maakten er heerlijke avondjes van. Ook het nieuwe jaar 1949 werd uitbundig gevierd, vuurwerk was er niet, maar geweren te over, dus aan knallen geen gebrek. Dankzij de goede zorgen en het strenge dieet ging de gezondheid van de kinderen met sprongen vooruit. De buikjes slonken, de hoofdjes krompen en al na een paar dagen waren de kleinste zweren genezen dankzij die vieze zwarte stinkende fantastische ichtiol!

Stans en Guus genoten van rondrijden in de vrachtwagen. Voor het gevaar hadden zij geen oog… sterke oom Leo aan het stuur en stoere oom Dick aan de andere kant met zijn tommygun. Wat kon hen gebeuren? Overal waar ze kwamen zagen ze blije gezichten van Nederlandse soldaten. Blij dat ze

‘VEEL GESCHREEW maar WEINIG WOL’

zagen naderen… zich verheugend op het lekkere bakkie troost en de snacks en chocolade… en natuurlijk de bemoedigende woorden van sergeant Dick en soldaat Piek. De kinderen konden zich niet voorstellen waarom ze zo bang waren voor deze lieve soldaten, die zonder uitzondering allemaal zo aardig voor hen waren. Wat hadden zij zich vergist!

Af en toe kwamen ze broer Dolf tegen als de kantinewagen bij de keuken moest bevoorraden. Ook met Dolf ging het goed. Zijn Oom Kit Schuiving, de chef-kok van Andjing Nica zorgde goed voor hem. Onvoorstelbaar dat zij nog maar een paar weken geleden bijna dood gingen van de honger.

Dolf en zijn broertje Guus, die hem nog steeds Sunarto noemde, moesten hard lachen om het verhaal dat Guus vertelde toen hij zag dat zijn broer werd gearresteerd!… Wat een fijne arrestatie was dat!… Dat verhaal maakte ook hun ooms Dick en Leo aan het lachen toen Dolf bij hen in de garage op bezoek was. Hij had een gebraden kip meegenomen… met de complimenten van chef-kok Kit Schuiving.

VADER GEVONDEN

De Marksjes waren zo gelukkig als ze hun leven nog niet waren geweest en hoopten en baden dat het voor altijd zo zou blijven. Maar sergeant Hia blies het sprookje uit… gestuurd door een hogere macht die vond dat de Marksjes niet geboren waren voor geluk en nu een overdosis daarvan hadden gekregen…

Hun vader was gevonden! Hij zou hen komen ophalen in Semarang, want Magelang was nog niet te bereiken en de legerleiding vond het hier te gevaarlijk voor Nederlandse kinderen… het eerstvolgende konvooi richting Semarang zou hen meenemen.

De grond zakte onder hun nieuwe schoenen weg… dit kon niet waar zijn! Papa was dood! Door de nippen met bajonetten afgemaakt! Sergeant Hia maakte maar een grapje!

Maar een man als Hia maakte geen grappen! Het mooie leventje was voorbij… had volgens diezelfde legerleiding al veel te lang geduurd.

 

De twee waren ontroostbaar, evenals die stoere foeriers. Verslagen zaten ze na het vertrek van de Ambonese sergeant bij elkaar op hun veldbedje… ze waren in die paar weken enorm aan elkaar gehecht geraakt… een warm liefdevol gezin geworden. Dat spatte uit elkaar… dit was hun laatste avond samen. Morgen zouden ze vertrekken…

Het konvooi bestond uit een aantal zwaarbewapende legertrucks. De bijrijders met pistoolmitrailleur op schoot, achter in de bak aan weerszijden een soldaat, gevechtsklaar, met handgranaten aan een rekje en een repeteergeweer in de aanslag. Voor de colonne stond een halftrack met zwaar kaliber boordkanon en om de vier trucks een jeep met brengun en twee extra, zwaarbewapende soldaten.

De colonnecommandant gaf het sein ‘motoren starten.’ Over vijf minuten móést hij vertrekken… uitstel was dodelijk… dan kon hij luchtsteun wel vergeten. Zenuwachtig keek hij van zijn horloge naar het eind van de straat en omgekeerd. Hij was niet blij met de opdracht om drie kinderen naar Semarang te brengen. Veel te gevaarlijk! Maar goed… opdracht is opdracht.

‘Waar blijven ze nou?’ dacht hij gespannen.

Met nog drie minuten op zijn klokje kwam een kantinewagen de bocht om scheuren, op de bumper in grote, witte letters

‘VEEL GESCHREEW maar WEINIG WOL.’

Pfff, daar zul je ze hebben. De kantinewagen stopte vlak voor hem, drie kinderen klommen uit de cabine en hij gebaarde dat ze moesten opschieten. Een knuffel voor hun ooms zat er niet meer in… ze wilden bij elkaar in de laatste wagen klimmen, maar de luitenant brulde dat dát niet de bedoeling was… ieder in een aparte wagen.

Exact op tijd zwaaide hij naar de halftrack en met een wolk benzinedampen trok de machtige machine zich in beweging. De rest volgde en achter in de laatste drie wagens gezichtjes, die paniekerig zochten naar hun weldoeners, blikken die boekdelen spraken…

‘Dag oom… dag oom… dank u wel voor alles…’

Sergeant Dick van Geffen en soldaat Leo Piek zwaaiden terug... stoere soldaten in stille tranen. Wèg waren hun kinderen. Zouden zij hen ooit weerzien?

DE HERENIGING MET VADER

In een hoekje van het vliegveld stond de grote Catalina vliegboot. Weinig over van de majesteit van deze watervogel. Hij stond op drie bokken, het neuswiel lag ernaast, zijn buik onder de krassen en kogelgaten. De Catalina was gehavend teruggekeerd van de laatste vlucht ter ondersteuning van de opmars van Andjing Nica. Het stuitte op afweergeschut van de Siliwangi-divisie bij Magelang. Daar bewezen de Japanse mitrailleurs hun effectiviteit en plaatsten diverse voltreffers. Dat er niemand gewond was geraakt mocht een wonder heten… sommige kogels vlogen rakelings langs hen heen. De bediening van het neuswiel werd wel geraakt en was niet meer te gebruiken, dus moest er een buiklanding worden gemaakt. Het meest eenvoudige zou een landing ergens op het water zijn, maar daar was reparatie niet mogelijk. Dan maar op land, bij voorkeur op een sappige weide en de piloot had het toestel op bekwame wijze naast de landingsbaan aan de grond gezet.

Twee legerschoenen staken uit het gat waar de neuswieldeuren werkloos naar beneden hingen. Daaronder, op zijn hurken een monteur met een gereedschapskist, waar hij af en toe iets uit pakte en door de opening boven zijn hoofd stak. Een vredig tafereel, tot een aanstormende jeep slippend voor het toestel tot stilstand kwam. Nog voor hij was uitgestapt schreeuwde de chauffeur naar het vliegtuig;

BERT… BERT… ZE HEBBEN JE KINDEREN GEVONDEN…’

In het neuswielluik een vreselijke vloek… de monteur had zich bezeerd. Vloekend liet hij zich zakken en kwam onder het vliegtuig vandaan.

‘Wat zeg je?… Geen grappen hè?’

‘Echt Bert, hier een telegram… ze zijn gevonden… in Magelang…’

Bert Marks nam het papier aan en zakte door de knieën. De andere mannen kwamen bij hem staan en aaiden door de wilde haardos terwijl zijn lichaam schokte van emotie.

Het konvooi naar Semarang schoot niet op. Om de haverklap moest geslalomd worden om grote gaten in de weg. Uren duurde het gehobbel en gestuiter achterin de bak en de kinderen Marks hadden geen idee wat er ging gebeuren. Ze herkenden niets van de dorpen waar ze door kwamen, zo grondig had de TNI hun ‘Tactiek der verschroeide aarde’ uitgevoerd. Eindelijk, na een hele dag reizen, kwamen ze in Semarang aan. De colonne stopte bij een Protestants Nederlands weeshuis en met ontzetting zagen de drie waar ze terecht zouden komen… van de regen in de drup.

‘O God, nee… niet wéér een weeshuis…’

Hevige teleurstelling. Ze wilden onmiddellijk terug, terug naar hun lieve soldatenooms.

Dat zat er niet in en met de mededeling dat het maar voor een paar dagen was, namen ze het voor lief, gewend dat geluk voor hen van korte duur was. Nog erger werd het toen ze hun mooie, nieuwe, kostbare kleren moesten afgeven en in bad moesten. Daarna kregen ze een weeshuisuniform, de jongens een lichtblauw shirt met korte broek en Stans een lichtblauw jurkje. Geluidloos huilend ondergingen ze deze zoveelste vernedering. De mooie kleren, waar ze zo aan gehecht waren, gingen in een kluis en alleen de bijbel van Mama mochten ze bij zich houden. Het was een drama… maar zelfs deze behandeling brak hen niet…

Ze ondergingen een medische check en maakten mee hoe een röntgenfoto werd gemaakt. Het dieet van de legerdokter had zijn werk goed gedaan, ze waren alle drie wonderbaarlijk goed hersteld. Dolf, Stans en Guus waren van hun oedeem af en al de zweren waren genezen. Ze mochten weer normaal eten.

Langzaam wenden ze ook aan deze situatie en vonden het zo gek nog niet. De leidsters en onderwijzers waren aardig en al snel hadden ze een vriendenschare om zich heen met wie ze ervaringen uitwisselden… over de tijd van vóór de Jap… altijd alleen maar over de leuke dingen van toen vroeger… nóóit over de ellende van daarna, die wilden ze nu al uit hun systeem bannen, instinctief aanvoelend dat dat nodig was om ooit weer een normaal mens te kunnen worden.

Op een middag werden ze naar kantoor geroepen om kennis te maken met een blanke Hollandse man. De directrice zei;

‘Dit is jullie vader… hij komt jullie halen…’

Ze gingen zich omkleden, terwijl hun vader in het kantoor wachtte. Ze waren niet blij of onder de indruk… herkenden hem niet. Voor hen was het de zoveelste vreemde. 

Bertus Marks bedankte de leiding voor de goede zorgen en nam zijn kinderen mee naar een taxi, maar voordat ze instapten rende Guus terug en schreeuwde;

DE BIJBEL VAN MAMA… vergeten…’

Toen hij terug was zei vader dat hij een verrassing voor hen had en dat had hij als volgt geregeld; nadat Bert was bijgekomen van het adembenemende bericht over zijn kinderen, waarvan hij dacht dat ze niet meer in leven waren, wilde hij zo snel mogelijk naar hen toe. De oorlog tegen de TNI was echter in volle gang en hij kon niet worden gemist. Toen hij eindelijk met verlof kon, vond hij een bevriende piloot bereid om een retourtje Batavia-Semarang te vliegen. Ook de squadroncommandant vond het zo’n aandoenlijk verhaal dat hij ermee instemde, waardoor Bert zijn kinderen in stijl kon komen ophalen.

Zodoende bracht de taxi hen naar een klaarstaande Dakota op het vliegveld van Semarang en overdonderd gingen ze aan boord van het militair transportvliegtuig. Ze genoten van de acceleratie en het opstijgen en het uitzicht over de aarde. Om beurten mochten ze in de cockpit kennis maken met de piloot en zijn metgezel, die benieuwd waren naar de kinderen die uit de dood waren opgestaan, die de hel hadden overleefd. Ze stelden vele vragen, maar de Marksjes wilden alleen maar van het uitzicht genieten over de prachtige blauwe zee en het groene land.

Na een veel te korte vlucht zette de vriendelijke piloot het toestel op het vliegveld Tjililitan aan de grond en duizelig liepen ze naar de geparkeerde auto’s, allemaal even mooi als in de tijdschriften bij Pah Sugèn. De oorlogskinderen keken hun ogen uit! Waanden zich in een andere wereld. Bert liep naar één van die prachtige glimmende mobielen en deed de deur van een zwarte Cadillac voor hen open. Het feest ging verder en hun vreemde vader reed via een omweg naar Meester Cornelis. Halverwege een helling stuurde hij door een poort een landgoed op en zei;

‘Welkom op Bidara Tjina… dit is ons huis…’ en parkeerde zijn auto bij de personeelswoning naast het koloniale paleis. Het huisje stond op een landgoed en er stonden nog een paar gebouwen die tot voor kort werden bewoond door tienerjongens van het Sint Vincentius weeshuis, waar hun vader lesgaf in techniek als hij niet aan het werk was voor het KNIL op het vliegveld Tjililitan.

DRIEHONDERD STEURTJES GERED

Terwijl zij genoten van het nieuwe leven, waren zij hun vriendjes en vriendinnetjes in Magelang niet vergeten. Bij iedere gelegenheid vertelden ze vader Bert over hen en smeekten om hen ook daar vandaan te halen… met effect… op een dag had vader een telegram gekregen van zijn kennis Maresch, de directeur van de drukkerij in Magelang van voor de oorlog. Bert wist dat hij in een functie bij de Sociale Dienst achter Andjing Nica was aangetrokken. Maresch kende het stadje als geen ander en was benieuwd naar wat er van zijn drukkerij over was. Bert had contact met hem gezocht en hem gewezen op de kinderen van Pa van der Steur, die daar tussen de puinhopen moesten overleven, terwijl hier op Bidara Tjina gebouwen leeg stonden. Maresch vond evacuatie een geweldig idee, want hij wist hoe de weeskinderen eraan toe waren. De Steurtjes hadden het nog goed vergeleken met hun lotgenootjes in het andere weeshuis. Daar heerste de pest en toen hij daar een bezoek bracht, zag hij met eigen ogen dat daar in een te kleine ruimte wel zestig jongens en meisjes in een walgelijke stank, temidden van hun eigen uitwerpselen, de nacht moesten doorbrengen. De leidinggevende heer Sugèn werd erop aangesproken, maar was niet van plan daar verandering in aan te brengen…

Maresch stelde alles in het werk om de kinderen te verhuizen, maar Islamitische rebellen hadden de spoorbaan tussen Magelang en Secang gesaboteerd. Bert Marks slaagde er echter in om met de hulp van een daadkrachtige luitenant van Andjing Nica, militair vervoer te regelen en twee dagen later marcheerde een stoet van driehonderd kinderen het terrein van Bidara Tjina op. Ze werden opgewacht door dames en heren van de Sociale Dienst, die stapels belegde broodjes en gamellen vol heerlijke chocolademelk hadden klaargezet en de slaapzalen in orde hadden gemaakt.

Ook Stans, Dolf en Guus behoorden tot het ontvangstcomité dat hun oude vrienden en vriendinnetjes verwelkomde. Stans zag er vele van terug, maar was toch het meest in haar nopjes met Enoch, haar held. Guus liep met zijn vriendjes mee om een plek te wijzen waar ze de stoel van Pa van der Steur konden neerzetten. Die grote stoel leek het allerbelangrijkste ding op aarde en dat was het voor hen ook… symbool van hun liefde voor de Pa die hen uit de goot had gered. Ze hadden hem de hele weg hiernaartoe meegesleept.

EN ONZE DAPPERE FOERIERS LEO EN DICK?

Die hadden zich een maand na het afscheid van hun kinderen, eind februari 1949, terug gemeld bij hun baas in Surakarta (Solo). Ondanks de heftige schermutselingen om hen heen, hadden zij zelf niet echt onder vuur gelegen. Dat werd nu anders! Iedere week moest een colonne een rit naar Semarang maken om te bevoorraden. Iedere rit was het mis en drie maal werd hun kantinewagen getroffen. Een keer werden hun passagiers geraakt, gelukkig slechts licht gewond. Op een avond was Leo thuisgebleven en reed Dick met Bobbejaan Schoepe (die van Bobbejaanland), toen de colonne hevig onder vuur werd genomen en de twee dekking zochten in een droge greppel terwijl de kogels om hen heen zoemden. Toen de schutter het zwijgen was opgelegd konden ze weer instappen. Bob was heel stil… in het duister kon Dick niet controleren of zijn broek nog droog was… hij liet Bob daarom in zijn waarde en deed niets af aan diens verklaring van de strontlucht.

Buiten die ritten naar Semarang was het goed toeven in Solo, tot drie dagen voor het ‘staakt het vuren’ in augustus 1949. Dat staakt het vuren viel op woensdag en toen zij de zondag ervoor uit de kerk kwamen, lag deze onder vuur. Schietend zijn zij de kerk uit gekomen, waar de mitrailleurschutters altijd achterin zaten.

Tot donderdag werd op meerdere plaatsen geschoten, terwijl de Hollanders op straat geen wapens meer mochten dragen. Groot was dan ook de verbazing toen zij uit huis kwamen en aan de overkant van de straat een stel Indonesische soldaten zagen staan, zwaar bewapend, met een schoolbord op een stoel waarop zij ’Demarcatielijn’ ‘hadden geschreven. Een van de KL ‘ers, een Amsterdammer, groot en rood haar op hoofd en borst, gekleed in korte broek zei; ‘Dat varkentje ga ik wassen.’

Hij stak zijn armen in de lucht, begon de litanie van alle heiligen van achter naar voren te bidden, nou ja ‘bidden?’ Al ‘biddend’ stak hij de straat over en waar hij op hoopte, gebeurde! De demarcatielijn werd opgepakt en in paniek vluchtten de dappere overwinnaars de straat uit! Die soldaat, Amsterdammer, rood van haar en huid, werd door die zwaarbewapende peloppers waarschijnlijk aangezien voor dondergod!

 

Dick vertelde nog een verhaal;

‘De vorst van Solo, de “Soesoehoenan”, mocht van de Nederlanders een eigen legertje hebben. Zij werden door ons bewapend en gekleed en ze deden wachtdiensten o.a. bij onze loods vol sigaretten en andere begerenswaardige zaken. Op een morgen stond de loods, totaal leeggeroofd, in lichterlaaie en de troepen van de “Soes” waren verdwenen. Wij hebben geen moeite gedaan ze te vinden, wij moesten toch binnenkort het hele gebied overgeven aan de Indonesiërs.’

Dick vervolgde:

‘Op 7 november 1949 was dat zover. Wíj reden Solo uit… zíj reden of liepen binnen. Toen wij omkeken zagen wij de suikerfabriek en de tabakloodsen in brand staan. In goed een jaar hadden de Hollanders alles weer opgebouwd en die stommelingen staken alles in brand. Nou ja, zij zaten op de blaren, hún blaren. Wij gingen naar Pati, een plaatsje tachtig kilometer oost van Semarang. Er was niet veel meer te doen. Na enige weken terug naar Semarang waar wij onze wagens moesten overdragen. Eerst een pondje suiker in de benzinetank, ze kwamen er niet ver mee. Weer een paar weken later naar Batavia waar het 4-11 RI personeel bij elkaar kwam in het voormalige Jappenkamp, kamp Makassar. Met 1600 man op een vrachtbootje van 10.000 ton. Begin maart 1950 per “Kota Inten” naar huis. De rest weten jullie.’

Net als zovelen hebben Dick en Leo de beste jaren van hun leven gegeven om landgenoten aan de andere kant van de wereld te redden. Voor volk en vaderland, terwijl zij amper waren bijgekomen van de ontberingen onder de Duitsers. Zij deden hun plicht en overleefden ook deze oorlog. Ondertussen wist de legerleiding op welke wijze deze jonge mannen, ondanks hun trauma’s, in het vaderland werden ontvangen. Zij hoorden van de scheldpartijen en de pijnlijke zangkoren bij het embarkeren en bedachten een versje waarmee zij zich konden wapenen tegen de hoon die over hen zou worden uitgestort.

Het versje werd Dick’s lijfspreuk:

‘Wij wenden ons tot God en Jan Soldaat

Als bittere nood en strijd ons wacht

De nood voorbij, het land in Vredesstaat

Vergeten is de Heer en Jan Soldaat veracht.’

SLOT

Soldaat Leo Piek pakte in Nederland zijn oude leven op… en hoe!! Het was al een sterke kerel toen hij naar Indië vertrok, die oorlog heeft hem niet verzwakt, integendeel. Oom Leo ging weer worstelen en werd daarin zeer succesvol. Hij reeg Nederlandse kampioenschappen aan elkaar, werd uitgezonden naar de Wereldkampioenschappen en in 1960 nam hij voor Nederland deel aan de Olympische Spelen in Rome.

Hij trouwde en kreeg twee mooie zonen. Eén zaak bleef knagen… hoe is het zijn kinderen Stans en Guus vergaan?

Sergeant Dick van Geffen vond Eef, een lieve sterke vrouw die ook de ontberingen van de Jappenkampen had overleefd en zij werd zijn echtgenote. En waar onze sergeant eerst zeer kritisch stond tegenover leger, militairen en discipline, zag hij nu in dat juist dát hem lag en werd beroepsmilitair, omdat hij dacht op deze wijze zijn land het beste te kunnen dienen.

Hij kwam ook zijn ‘vriend’ tegen, maar kon slechts medelijden hebben met de voormalige kapitein WIT… hij was weer gedegradeerd tot sergeant.

Dick leidde een gelukkig leven met vrouw en kinderen. Toch bleef, net als bij Leo, één zaak door zijn hoofd spoken… hoe is het zijn kinderen Stans en Guus vergaan?

Voor die twee Marksen ging het níét van een leien dakje. Hun leven op Java bleef in gevaar, alle ‘staakt-het-vuren’ en overeenkomsten ten spijt.

Eén van de problemen was dat hun oudste broer Leo, de Tukitjo die Leo Piek had gered, soldaat was bij de TNI en vader hem niet wilde achterlaten.

Pas toen hij op brutale en slimme wijze erin slaagde Leo naar Nieuw-Guinea te sturen, kon hijzelf met Stans en Guus achter hem aan. Op het laatste nippertje en door het oog van de naald bereikten zij hun nieuwe thuisland en bouwden daar in de wildernis tussen de Papua’s een bestaan op. Ver van de bewoonde wereld, zodat de glorietijd van Leo en de zoekpogingen van Leo en Dick aan hen voorbijgingen.

Twaalf jaar later was voor hen ook dit sprookje uit en moesten zij hals over kop, met achterlaten van al hun bezittingen en Papua-vrienden hun land verlaten. Guus vluchtte naar Australië en Stans kwam met haar gezin totaal berooid in Nederland aan.

Een nieuwe ‘struggle for life’ begon en ook nu slaagden zij erin hun leven op te pakken. Eindelijk in rustiger vaarwater werden de gedachten aan die twee soldaten aan wie Stans haar leven te danken had, steeds dominanter. En met de hulp van haar echtgenoot Karel begon zij een zoektocht. Alle kazernes en overheidsinstanties werden bezocht of aangeschreven. Het hele land werd tevergeefs doorkruist. Tot in 1971 de KRO het radioprogramma ‘Adres onbekend’ in de lucht bracht.

Dick van Geffen was op de kazerne aan het werk toen een opgewonden collega zijn kantoor binnenstormde;

‘Dick, Dick… jij hebt toen in Indonesië toch een paar kinderen gered?’

‘Ja, Stansje en Guusje… hun broer Dolf kwam de Chef-kok van het Andjing Nica tegen…’

‘Snel, snel, zet je radio aan…’

Hij hoorde de oproep van Anne van Egmond, gericht aan Dick van Geffen en Leo Piek en afkomstig van Stans Marks, het meisje dat zij meer dan twintig jaar geleden uit handen van criminele Indonesiërs hadden gered. Dick was volledig van slag, zijn collega belde het telefoonnummer dat Anne noemde en het contact was gelegd.

Leo Piek vinden was daarna een klein kunstje en toen die het nieuws vernam, stapte hij onmiddellijk met vrouw en kinderen in de auto en reed naar Noordwijkerhout. En net als met Dick een paar dagen later, was dit weerzien een explosie van vreugde, liefde en geluk. Nu zou niets de warme relatie tussen Stans en haar kinderen met hun ooms Leo en Dick nog kunnen verbreken.

Niets… behalve de dood. Het laatste telefoongesprek met Leo Piek staat in mijn geheugen gegrift. Hij begon licht geïrriteerd… hij had pas anderhalf uur van zijn training afgewerkt… hij was pas vijfentachtig en in topconditie… hij was in training voor een zware bergfietstocht op Tenerife. Dat mocht er niet van komen, het eerstvolgende telefoongesprek was met zijn zoon… Leo Piek was op 1 juni 2013 overleden, plotseling, zomaar uit het niets…

Nadat Stans samen met zijn zonen de as van hun vader en haar redder in de Noordzee hadden uitgestrooid, wilde zij zo snel mogelijk aan haar andere held een stoffelijke blijk van waardering uitreiken. Haar halve gezin stond om hen heen toen zij Dick van Geffen een ‘medaille van verdienste’ om hing.

De band werd nog een tandje hechter en zo waren wij getuige van een gelukkige oude dag van onze held, die slechts werd verstoord door boosheid over onrecht dat voor zijn gevoel hem en zijn collega’s werd aangedaan.

Dick van Geffen ervoer het boek ‘Brandende kampongs van Generaal Spoor’ van Limpach, en het daaropvolgende Dekolonisatie-onderzoek als een trap in de rug voor hemzelf en al zijn mede-veteranen. De laatste jaren van zijn leven heeft Dick van Geffen het Dekolonisatie-onderzoek bestreden. Gelukkig weerhield zijn immer opgeruimde karakter hem ervan om als verbitterde oude man zijn bestaan af te sluiten.

De grote ergernis over de film die onderdeel moet gaan uitmaken van het lessenpakket voor middelbare scholen over die periode, en waarin hij en zijn metgezellen worden afgebeeld in zwarte SS-uniformen, is hem bespaard gebleven, want op 4 augustus 2018, op de gezegende leeftijd van tweeënnegentig jaar, sloot Dick van Geffen voorgoed de ogen.

Nawoord van de auteur:

Dank aan de redactie van Sinte Barbara, het lijfblad van de Artillerie Officieren, waarvan ik er één ben, voor het afdrukken van dit feuilleton. Het is opgedragen aan de twee hoofdrolspelers Dick van Geffen en Leo Piek, als vertegenwoordigers van die grote groep gewone Nederlandse, Indische en Molukse jongens die in dat verre tropische land hun plicht deden.

Hun avonturen en die van Stans, Dolf, Guus, Leo, Karel en hun kinderen zijn beschreven in het boek ‘Tussen twee Vuren’ van mijn hand en alle informatie over dat boek is terug te vinden via de website www.opapoea.nl.