FRED BECKING

DE BRIEF VAN FRED BECKING
Niet alleen kommer en kwel.....

Toen wij in 1962 berooid in Nederland aankwamen, was oom Fred, de broer van mijn vader, het eerste familielid dat ons in de kazerne in Weesp kwam opzoeken. Wij allen hielden op slag van hem, en een dag later, van zijn echtgenote, onze tante Cor. Sinds dat moment waren wij één gezin met vier ouders. Met tante Cor heb ik tot haar dood contact gehad, vooral over de telefoon. Heel veel verhalen uit mijn boek komen van haar. Zo ook het verhaal over de brief van Fred. Dat het in mijn boek niet alleen kommer, kwel, angst, oorlog en ellende is, laat dit verhaaltje zien.

Ze zat in het eindexamenjaar en moest nog flink aan de bak, daarom lag Corrie Mes zondagmiddag op bed te studeren, toen zus Poel de kamer binnen kwam en zei;
‘Ollie, er staat een jongen op de veranda en vraagt naar jou… Alex Blommestein, ken je hem?’
‘Wie? Nee ik ken geen Alex, wat komt hij doen?’
‘Weet ik veel, hij vraagt naar jou, hij zegt dat hij iets moet afgeven van kapitein Haring… gá nou even Ol.’
‘O, ja, gaat zeker over de jeugdstorm, kapitein Haring is onze leider’, Corrie legde haar boeken neer en ging naar buiten.
‘Goedemiddag, ben jij Corrie Mes?’ Ze knikte.
‘Ik heb een briefje die ik jou moest geven van kapitein Haring. Hij zei dat ik het alleen aan jou persoonlijk mocht afgeven… alsjeblieft.’ En overhandigde haar het verfomfaaide envelopje.
‘Dank je wel’, ze draaide zich om en liep weg… brandende nieuwsgierigheid verbergend.
Terug in haar kamer bekeek ze het stukje papier en kreeg een rolberoerte, zweet brak uit, haar hart bonkte in de keel. Ze las de nauwelijks leesbare letters:
‘Voor Corrie, van Fred.’

Ze had die mooie jongen, die op de laatste avond van het zomerkamp naast haar had gezeten en de hele tijd haar handen warm hield, uit het hoofd gezet. Dat was toch geen haalbare kaart, die prachtige zoon van de beroemde kapitein Becking, die had natuurlijk talloze liefjes en was haar de volgende dag al vergeten.

Het kostte haar grote moeite om niet de hele dag aan hem te denken en net toen ze het gevoel had dat dat was gelukt… dit stukje papier… dat insloeg als een bom! Op slag voelde ze weer die intense verliefdheid, die warmte in haar binnenste, die vlinders in haar buik. Wat zo’n klein vies stukje papier al niet teweeg kon brengen. Natuurlijk was ze hem niet vergeten! Hoe kon dat ook! Hij was de mooiste en de liefste van het hele kamp.

Snel pakte ze een mesje en voorzichtig sneed ze het envelopje open, vast van plan dit kleinood voor eeuwig op haar hart te dragen. O God, sloeg ineens de paniek toe… wat als hij schrijft dat het leuk was, maar dat hij een ander heeft?

Snel haalde ze het briefje eruit en werd gerustgesteld door de rode hartjes die hij bij de tekst had getekend en ze las met tranen in haar ogen:
 
‘Lieve Corrie,
We hebben op de laatste avond van het kamp naast elkaar bij het kampvuur gezeten. Misschien weet jij niet meer wie ik ben. Maar ik kan jou niet vergeten, Corrie. Ik kan alleen maar aan één ding denken, alleen maar aan jou. Wil jij mijn meisje zijn?
Hoogachtend, Fred Becking, Kerkstraat 57 Meester-Cornelis.’
 
Ze zoog iedere letter in zich op… ‘misschien weet je niet meer wie ik ben…’ jongen, je moest eens weten!!
 
Tranen liepen over haar gezicht. Ze was de gelukkigste mens op aarde en dat smoezelige briefje heeft ze tientallen jaren bij zich gedragen… tot die inktzwarte dag aan de andere kant van de wereld.

Ze zoog iedere letter in zich op.......... ‘misschien weet je niet meer wie ik ben...’ jongen, je moest eens weten!!