DE PA EN MOE VAN INDIË

Ter ere van de grote weldoeners Johannes ‘Pa’ van der Steur en zijn zusje Maria Graafstal-van der Steur, ‘Moe Graafstal’, een serie over de avonturen van mijn familie met de beroemdste Pa en Moe van Nederlands-Indië. De verhalen zijn ‘oral-history’ en maken ook deel uit van mijn boek ‘Tussen twee Vuren’, zie www.opapoea.nl. 

Alles over Johannes is te lezen in ‘PA’, zijn biografie, geschreven door Vilan van de Loo (ISBN 978-90-78847-09-0). Het werk van Pa is na 128 jaar nog steeds ‘alive and kicking’ dankzij Nel de Borst, in de vorm van Yayasan Pa van der Steur (www.pavandersteur.org). 

Van mijn hand volgt tzt een biografie van Moe Graafstal. 

DEEL 1: KENNISMAKING MET PA

Het was 1930 toen mijn Oma Stien van Deventer met haar man Bertus, zoontje Leo en dochter Lies naar Temanggung op Java verhuisde. Ze had haar nering meegenomen en vaste prik op haar rondgangen was een bezoekje aan Ajani, de vrouw van de Duitse vriend van Bertus.

Op een dag vroeg Ajani haar of ze zin had mee te gaan naar het zwakzinnigentehuis van Moe Graafstal.

‘Wie is dat? Ik heb wel eens van haar gehoord.’
Ajani vertelde dat Moe een zusje was van de beroemde Johannes ‘Pa’ van der Steur.

‘Haar eigen naam was Sara Maria van der Steur en ze was getrouwd met sergeant Graafstal. Iedereen in Indië kende Pa en zijn zusje deed hetzelfde werk.’

‘Johannes van der Steur kwam als zendeling naar Indië. Hij was in Haarlem geboren en omdat zijn ouders arm waren, moest hij al op jonge leeftijd aan het werk.

Het was een bijzonder mannetje en als tiener begon hij al een zondagsschool én een schooltje waar hij kinderen uit de arme buurten van Haarlem bezighield en les gaf’, vervolgde Ajani haar verhaal.

 

‘Johannes zag de ellende van deze kinderen en wat hier volgens hem de oorzaak van was; drankzucht van hun vaders èn de prostitutie. Daar wilde hij wat aan doen en dacht dat het beter zou gaan als ze maar naar de kerk kwamen.

Zo rolde hij in het evangelisatiewerk, ging het hele land door en kwam in Harderwijk terecht, het “Riool van Europa”, zoals het militaire depot werd genoemd, waar mannen zich konden aanmelden voor militaire dienst in Nederlands-Indië.

Velen van hen verbrasten hun soldij in de kroegen en bordelen rond de kazerne en de jonge Johannes richtte al zijn aandacht op hen. Hij sprak met soldaten die uit Indië waren teruggekeerd om hier de nieuwelingen op te leiden. Zij vertelden dat de toestanden daar veel erger waren dan hier in Holland en hij bedacht dat hij dáár harder nodig was.

Daarom vertrok hij in 1892 naar Indië en richtte in Magelang een Christelijk Militair Tehuis op. Hij wilde de soldaten terug brengen naar het christelijk leven en in het begin bestond zijn werk vooral uit bijbellessen.

Tot hij hoorde dat er in de kampong vlakbij een Hollandse militair was overleden en een Javaanse vrouw met “anak tjampoer” had achtergelaten. Deze Indo-kinderen en hun moeder werden door de kampongbewoners èn door de Hollanders aan hun lot overgelaten. 

In Nederlands-Indië zwierven veel van deze Indootjes rond, ze sliepen waar ze een droog plekje vonden en deden niets anders dan voedsel bij elkaar scharrelen. Ze leefden als dieren, volgens de wetten van de straat, hielden zich aan God noch gebod en groeiden op voor galg en rad. Vooral de gegoede blanke samenleving meed hen als de pest, maar Johannes haalde moeder en kinderen uit de kampong. Ze mochten bij hem komen wonen. 

Deze grootse daad kwam hem op veel kritiek te staan van de Belanda’s, maar ook op lof, vooral van militaire zijde. Het verhaal over deze goede “Bapak” verspreidde zich als een lopend vuurtje en er klopten steeds meer kinderen aan. In een mum van tijd was zijn tehuis te klein en ondanks de hulp van militairen zoals sergeant Graafstal, kon hij de zorg niet meer aan en zond een noodkreet aan zijn moeder: 
“Zend hulp… stop… ik kan niet meer… stop.” 

Het duurde een tijdje en Johannes had de moed net opgegeven, toen… uit het niets een kort telegram: 
“… Marie komt… stop… hou vol!… stop!” 

En Marie kwám! 

Een jaar na zijn vertrek uit Holland stapte zijn tweeëntwintigjarige zusje Marie op de boot naar Indië om hem te helpen. Hier stond ze ácht jaar naast hem, acht jaren van soberheid en ontbering. Er kwamen steeds meer kinderen bij en gelukkig ook mensen die hielpen en geld gaven, ook het gouvernement droeg een steentje bij.’

een kort telegram:  “… Marie komt… stop… hou vol!… stop!”  En Marie kwám! 

Ajani nam een slokje air djeroek, zag Stiens vragende blik en vertelde verder:

‘In deze tijd werd hij “PA” van der Steur, omdat al zijn kinderen hem altijd en overal liefkozend “PA” noemden, hun PA, de eerste mens van wie ze liefde en geborgenheid kregen en waar ze voor door het vuur gingen. 
Het militair tehuis groeide uit zijn voegen, en toen het garnizoen in Magelang werd opgeheven, mochten zij de kazerne gebruiken voor hun kinderen. Toen Pa werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau was hij daar zo blij mee, dat hij zijn weeshuis het Oranje-Nassau Gesticht noemde.’

‘De mensen die hem niet kenden, dachten dat hij heel streng was voor zijn kinderen. Ja, dat was hij, maar ook liefdevol. Hij vond het belangrijk dat ze discipline én een vak leerden. Daarom heerste tucht en orde in zijn weeshuis en gingen ze naar school, die ‘Steurtjes’, want zo werden ze genoemd en zo wílden ze ook vol trots genoemd worden. En met resultaat! Die kansloze Indo-kinderen – gedoemd om in de kampong ten onder te gaan – werden onderwijzer, verpleegster, kantoorbediende, officier en onderofficier bij het KNIL, advocaat, landbouwkundige, doctor, technicus en bedrijfsdirecteur. Stuk voor stuk werden het gerespecteerde leden van de maatschappij, harde werkers met discipline en een goed hart.’

Ademloos hoorde Stien het verhaal aan. 
‘Wil je nog meer weten?’ 
‘Jaaaa, ik wil alles van die mensen weten! Vertel álles…’ Ajani nam nog een slokje en vertelde verder.

Wordt vervolgd.