DE MORGENSTER!

MORGENSTER.
Het was eind november 1961 toen mijn vader Karel Becking thuis kwam van een lange week werken in de jungle op een eiland bij Manokwari.
Zijn hoogzwangere echtgenote had heerlijk gekookt en na de oergezellige maaltijd was het ogenblik aangebroken waarop wij met blijde spanning wachtten… de tas met cadeautjes. Papa nam altijd iets voor ons mee. Wij waren gek op de eenvoudige geschenken, die in de ogen van Belanda-kinderen niets voorstelden, maar voor ons grote schatten betekenden. Voor Mama had hij een glimmende groene MATABIAK en voor zijn kinderen een grote schelp, waarin je de ruisende golven kon horen.

Er zat nóg iets in zijn schoudertas… een pakketje van bruin pakpapier… gespannen waren tien ogen gericht op die vingers die dramatisch, zoals alleen Karel dat kon, een klein puntje uit het papier trok… een blauw doekje… een zakdoek?

Als volleerd goochelaar trok hij het met een ruk uit de tas en zwaaide ermee in het rond. 
Rood, wit, blauw duikelden door elkaar… hij pakte het doek bij twee punten en hield het omhoog. Aan de ene kant een brede rode baan met witte ster in het midden en aan de andere kant allemaal horizontale blauw-witte banen.

Daar stond de grote krijger, de stoere kolonist en baas van een houtbedrijf… blij te stralen als een kind… en keek in vijf vragende gezichten die er niets van snapten.

 
Schaterlachend riep Karel; ‘… NEE, GEEN TAFELLAKEN… NEE, OOK GEEN BEDDENSPREI… HET IS DE VLAG VAN ONS NIEUWE LAND!’

Het was de MORGENSTER! De Nieuw-Guinea Raad had vastgesteld dat dit de nationale vlag zou zijn van ONS land. Nederland had Nieuw-Guinea onafhankelijkheid beloofd! En dit was ONZE VLAG! Wij vonden hem prachtig en wilden hem gelijk ophangen. Maar Papa had een beter idee.

 

‘Morgen kappen we een dikke bamboe en maken daar een vlaggenmast van. Dan kunnen jullie iedere dag om de beurt de vlag hijsen.’