MARINUS MARESCH (1921-2021)
REDE GEHOUDEN BIJ DE UITVAARTDIENST

Beste mensen, namens de familie en mijzelf heet ik u van harte welkom op deze uitvaartdienst van Marinus, RIES, Maresch.

Mijn naam is Erik Becking, ik ben een vriend van Ries en de familie heeft mij gevraagd over Ries te vertellen. Voor mij een grote eer! Net zo’n grote eer als toen ik hem acht maanden geleden, op 15 augustus, mocht begeleiden op de INDIË-HERDENKING op de DAM IN AMSTERDAM. Hij was daar ERE-GAST, want Ries is een GROTE TUAN in de Indische wereld.

Mijn verhaal, afgewisseld met zijn lievelingsmuziek, zal voornamelijk gaan over dit INDISCHE deel van zijn imposante leven. Deze man heeft in zijn honderdjarig bestaan zo enorm veel meegemaakt, dat ik keuzes moest maken.

Ik leerde Ries 15 jaar geleden kennen. In opdracht van mijn oom Rudi zocht ik naar MANNEN die tot de 1000 van AMAHAI behoorden. Een groep krijgsgevangenen die op de Molukse eilanden slavenarbeid voor de JAPPEN hadden verricht. Ik vond 2 collega’s van mijn oom… waaronder ene MARINUS MARESCH.

Snel bleek dat we elkaar wel lagen. Dezelfde hobby’s, liefde voor boeken, dezelfde interesses… maar ook verschillen, vooral van mening! En we deelden een gezamenlijk verleden! In feite hebben mijn zus en ik ons bestaan aan Ries en zijn chef te danken. Daarover later meer.

De liefde voor Nederlands-Indië bracht ons vaak naar het landgoed Bronbeek in Arnhem… een stukje ‘namaak-Indië.’ Meestal gingen we naar lezingen… soms ook zo maar… Bronbeek staat namelijk vol monumenten van gruwelijke gebeurtenissen in Indië.

Evenwichtige Ries toonde moeilijk emoties… behalve bij het monument van de HELLSHIPS. Een beeld van een zinkend schip, met daar omheen uit blank staal gestanste namen van de schepen die zijn vergaan. Allemaal MARU’S, Japans voor SCHIP. Die namen staan op stalen pootjes van 30 centimeter en vormen een prachtig, vluchtig geheel.

Hier brak de GROTE TUAN af en toe… niet zo dramatisch als… ik bijvoorbeeld, nee, hij wordt dan stil… kan niets meer zeggen… begint te strompelen… naar het dichtstbijzijnde bankje en wil naar huis. Ik moet dan de auto halen, inpakken en wegwezen.

Bronbeek is nu ÓNS BRONBEEK niet meer. Wij komen er niet graag meer. Maar de monumenten staan er nog. Zo ben ik een paar weken geleden na een bezoek aan Ries bij JOACHIM en ANNA, toch weer langs gereden… naar ZIJN monument. Wat ik zag bezorgde mij kippenvel; één van de prachtige naamplaatjes was beschadigd… was met de punt omhoog gebogen… die van de KUNITUMA MARU.

Ries is in MAGELANG op JAVA geboren en voor een verklaring het volgende verhaal.

Dat begint rond 1870 in TSJECHIË, met een jonge boekdrukker… ene HEINRICH KLOVAC. Hij werd ingelijfd in het Oostenrijkse leger, maar had geen zin om voor die Oostenrijkers te sneuvelen, dus op een gunstig moment nam hij de benen en vluchtte naar Nederland. Daar zag hij een advertentie van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Dat KNIL zocht soldaten en om zo ver mogelijk weg te komen, meldde Klovac zich aan. Om zijn sporen helemaal te wissen schreef Klovac zich in onder de naam van zijn buurjongen… MARESCH. Het lukte, hij ging naar Atjeh en blonk uit. Hij werd uitgenodigd voor de ONDEROFFICIERSSCHOOL en kwam in MAGELANG terecht.

Tijdens de opleiding viel hem, als BOEKDRUKKER, het slechte drukwerk op… dat zou Heinrich beter kunnen en kocht een kleine drukpers. Zijn werk viel zo in de smaak dat binnen de kortste keren alle formulieren, pamfletten en instructiekaarten van de onderofficiersschool van zijn hand kwamen. Het werd zo’n succes, dat hij ontslag nam en de huisdrukker werd van het gehele KNIL. Alle drukwerk kwam van DRUKKERIJ MARESCH uit MAGELANG.

Met zijn JAVAANSE HUISHOUDSTER kreeg HEINRICH een zoon, noemde hem KAREL en echtte de jongen, zodat zijn zoon Karel Maresch als INDO de Nederlandse nationaliteit kreeg. Karel nam later de drukkerij van zijn vader over, stichtte op zijn beurt een gezin en op 22 augustus 1921 werd hun zoon RIES in MAGELANG geboren.

Aan de voet van één van de gevaarlijkste vulkanen ter wereld, de MERAPI. De uitbarsting van de Merapi in 1930, waarbij duizenden slachtoffers zijn gevallen en waarbij hij als kleine jongen, samen met zijn vader, daadwerkelijk heeft meegeholpen mensen te redden, stond in zijn geheugen gegrift.

Ries heeft een gelukkige jeugd gehad, zij het niet zonder strubbelingen omdat hij een blanke Indo was. Hij ging naar de Gouvernements-MULO, want de ‘SCHOOL MET DE BIJBEL’ was alleen voor blanke, HOLLANDSE kinderen, en hij was INDO. Toch heeft hij zich ook bij de Indo’s moeten invechten omdat hij zo blank was.

In Magelang was ook het weeshuis van de beroemde PA VAN DER STEUR. Pa liet zijn blaadje ‘DE KLEINE BODE’, drukken bij Karel Maresch. Karel kende ook ene BERTUS MARKS, een garagehouder. Bertus was niet alleen zijn klant, maar ook één van zijn jachtmaten, met wie hij ooit een mensenetende panter heeft geschoten.

Ries zag die drie rare mannen met elkaar dollen. Voor Pa van der Steur was hij een beetje bang… priemende ogen, zwarte baard, streng voorkomen… geen gezellige man… wel één van de grootste weldoeners van Nederlands-Indië. Die Bertus Marks was ook al zo’n rare, met zijn rode baard… die Bertus Marks was ÓNZE grootvader!

Rare kerels… maar in 1949, tijdens een bloedige broederoorlog, hebben Bertus en Karel Maresch, wèl 300 weeskinderen van de hongerdood of erger gered, door hen met gevaar voor eigen leven UIT HET VERWOESTE MAGELANG naar BATAVIA te halen, waar het weeshuis van Pa van der Steur nog steeds weeskinderen opvangt en huisvest.

 

In zijn tienerjaren leerde Ries NIJMEGEN kennen. Zijn ouders wilden dat hij zou doorleren en stuurden hem daarvoor naar Nederland, om aan het CANISIUSCOLLEGE zijn HBS-diploma te halen. Maar de Tweede Wereldoorlog brak uit, hij moest terug en heeft toen in Bandoeng zijn Lyceumdiploma gehaald. Daarna wilde hij BESTUURSAMBTENAAR worden en begon de ambtenarenopleiding op de Rechtshogeschool in Batavia, waar een jaar eerder ene MIEN VAN DER HOUT aan haar studie INDISCH RECHT was begonnen.

Ze ontmoetten elkaar en CUPIDO schoot rake pijlen, maar de Jappen gooiden op 8 december 1941 roet in het eten met hun aanval op Pearl Harbor en Ries werd teruggeroepen in militaire dienst.

Drie maanden later was heel Java in handen van de zeer goed voorbereide Jappen en werd Ries krijgsgevangen gemaakt en opgesloten. De hel begon voor de 20-jarige lange jongeling! Waar collega’s zich achter ruggen van anderen konden verbergen, zagen de Japanse criminelen hem altijd boven de rest uitsteken… en zag hij al die onthoofdingen en bajonetmoorden. Stel je die angst eens voor!!

Mien bleef dankzij haar afkomst buiten de kampen. Dat was ook geen pretje… toch zag zij kans om Karel Maresch af en toe eten te brengen in zijn Jappenkamp, zoals ze vertelde toen wij op bezoek waren aan de Schoutstraat, terwijl waakhond Binky steeds naar de benen van mijn echtgenote hapte.

Net als mijn oom Rudi werd Ries uitgekozen om bij AMAHAI, een plaatsje op een MOLUKS eiland, vliegvelden aan te leggen. Het transport ging met boten, de beruchte MARU’S. De gevangenen werden als slaven in de ruimen gepropt… Ries probeerde altijd bovendeks te blijven, of zo dicht mogelijk bij de uitgang. Het leven in zo’n Maru was ronduit onmenselijk…

Op Amahai was het leven een nog grotere hel. Honger, ongelukken, ziekte, en… ene sergeant Mori en zijn Koreaanse metgezel. Door de gevangenen ‘BLOED EN SLIJM’ genoemd, naar de uiterlijke kenmerken van DIARREE. Wreder en dodelijk duo bestond er niet. Om aan te geven hoe het was… van de 1000 man hebben er uiteindelijk 424 de ontberingen overleefd.

De beste manier om deze hel te overleven was een samenwerking, een KONGSIE. Ries had een kongsie met zijn vriend Rob. Rob kon al tijden door ziekte niet werken en bewaarde hun gezamenlijke geld, omdat hij constant in de barak aanwezig was en zo kon voorkomen dat het werd gestolen.

Ries werd echter ook ziek, zo ziek dat hij met vriend Rob én andere zieken en gewonden mee naar Java mocht. Bij de inscheping stonden ze al op de valreep, toen het schip vol was. Er konden nog 10 man mee. Op hun eigen hectische manier zetten de jappen de zieke gevangenen op een rij en begonnen af te tellen. It, ni, san, shi, go, roku, shicki, hachi, ku… Rob…, ju… Ries.

Rob, met al hun geld, was nummer 9 en Ries precies nummer 10. Onmiddellijk begonnen gevangenen, die niet waren ingeloot, zaken te doen met hen die mee mochten. Ries stond weer voor een levensbeslissend moment. Wat zou hij doen? Hij keek om zich heen, zoals hij altijd deed om de situatie zo goed mogelijk in te schatten en op basis daarvan te beslissen. Hij zag het schip… grote, witte letters; KUNITUMA MARU… op het dek twee defecte vliegtuigen. Hij besloot NIET mee te gaan en gaf zijn plaats aan een ander. Rob wilde persé wél mee. Hiermee was Ries zijn geld en zijn maat kwijt… en… schoot hij steeds vol bij dat monument van de HELLSHIPS op Bronbeek.

Met een andere MARU werd Ries naar Batavia gebracht, waar hij bij aankomst nog maar 54 kilo woog. Na een aantal keren door het oog van de naald te zijn gekropen, en de ondergang van een ander HELLSHIP, de JUNYO MARU, op miraculeuze wijze te zijn ontlopen… kwam Ries in juni 1945 in VIETNAM terecht. Ze werden in een oerwoud gedropt om aan een vliegveld te werken. OERWOUD is gunstig voor Indische jongens als Ries… zij wisten wat eetbaar was en dankzij de extraatjes uit het bos sterkte Ries aan.

Voor zijn 24ste verjaardag, op 22 augustus 1945, kreeg hij het mooiste verjaardagskado tot dan toe… een Jap kwam vertellen dat Japan had gecapituleerd en dat de oorlog voorbij was. Ze kregen Amerikaanse uniformen en werden in september 1945 overgeplaatst naar SAIGON.

Vietnam was een Franse kolonie, de Fransen waren heel gastvrij voor de Hollandse militairen en op een zondag besloten Ries en een maat in Saigon te gaan stappen.

Dat hebben ze geweten!! Toevallig was er op diezelfde zondag een demonstratie van de VIETMINH tegen het Franse bewind. Plotseling zag Ries dat de optocht van Vietnamezen in blauw-witte kleding, werd beschoten door Franse burgers. Er brak paniek uit en de demonstranten ontstaken in grote woede. Alle omstanders sloegen op de vlucht. Ries ook. Hij had geen zin om nu nog tegen een verdwaalde kogel aan te lopen, net nu hij de hele oorlog had overleefd.

Met zijn tweeën renden ze door de straten en kwamen langs het hotel CONTINENTAL, waar op het terras Franse officieren zaten. De twee Hollanders vlogen het hek binnen, sloten het af en riepen tegen de Fransen dat ze naar binnen moesten. Als de woedende menigte hen zou zien, zouden ze worden vermoord. De woedende menigte had het inderdaad op het hotel voorzien… ze wisten dat daar Fransen zaten. Het hek begaf het en de Vietnamezen drongen naar binnen, terwijl Ries met zijn hondenpenning zwaaide en met een zwaar Amerikaans accent riep dat hij Amerikaan was. Hij dacht dat zijn laatste uur had geslagen… tot er iets gebeurde dat hij zijn leven lang niet zou vergeten.

Van de ene kant van de straat kwamen er op linie een tiental Samoerai Jappen met getrokken zwaarden. Ze schreeuwden BANZAI strijdkreten, zwaaiden met hun zwaarden en stormden in linie steeds 5 meter naar voren op de menigte af. Ondanks dat ze met slechts 10 man waren, zette de menigte het op een lopen. ‘Saved by the bell door zijn dappere vijand.’

De volgende dag was het rustig en verzon Ries een list om de doodsbange Fransen, verkleed als Amerikaanse militair, naar huis te brengen. Ries was de eerste die een Fransman weg bracht. Hij wist dat de VIETMINH hen beloerde en is de hele oorlog niet zo bang geweest! Als volleerd toneelspeler liep hij vol bravoure zo Amerikaans mogelijk te lallen tegen de Fransman, die geen woord Amerikaans sprak. Het enige wat die fluisterde was: “Gauche, droitte.” Ries was doorweekt van het zweet toen ze eindelijk bij zijn huis aankwamen. De Fransoos kleedde zich om en Ries kon met het Amerikaans uniform van zijn vriend in een tas verstopt, terug naar het hotel. De operatie nam veel tijd in beslag, zodat de twee Hollanders pas na twee dagen terug op de basis kwamen en de wind van voren kregen, in plaats van complimenten voor het redden van die Fransen.

De oorlog was afgelopen. In Indonesië was de bloedige Bersiap in volle gang. Ries werd echter niet naar Java gebracht, maar naar SINGAPORE en tot zijn grote verrassing en blijdschap was MIEN daar óók. Hun liefde had de oorlog overleefd en bloeide als nooit tevoren.

Pas 8 maanden na de capitulatie van Japan, op 1 mei 1946, kwam hij terug op Java en werd ingedeeld bij het Depot Speciale Troepen, de commando’s van Kapitein Westerling. Hij leerde alles over anti-guerrilla, geluidloos moorden, schieten met alle wapens… allemaal niets voor Ries, dat zag zijn commandant ook en hij mocht wat anders gaan doen.

Hij werd transport-officier bij de Aan- en Afvoertroepen. Ja, toen hij hierover vertelde, toen zag ik hem voor de tweede keer emotioneel. Hij moest jonge Hollandse knapen op weg sturen naar verre buitenposten, over wegen vol valkuilen, sluipschutters en bermbommen. Jongens die net zelf een oorlog hadden overleefd en zonder deugdelijke training naar dit compleet andere land waren gezonden… die angst in hun ogen zou hij nooit vergeten. Het verdriet dat hij, ondanks alles wat hij had meegemaakt, toch voelde als er weer één van zijn jongens niet terug kwam en een paar dagen later aan flarden geschoten of gesneden langs de weg werd teruggevonden…

Gelukkig duurde dit niet lang. Nederland had bestuursambtenaren nodig om Indië, of wat daarvan overbleef, te kunnen besturen. De regering vroeg hem en hij trok zijn KNIL-pakkie uit en ging naar Nederland om Indologie te studeren. Na afronding van de studie reisde hij als ASSISTENT-BESTUURSAMBTENAAR af naar NIEUW-GUINEA. Hij kwam in SORONG terecht bij het Hoofd Binnenlands bestuur HENK VAN ANDEL. Nieuw-Guinea was tot ‘THUISLAND VAN DE INDO’S’ gebombardeerd en deze Indo’s trokken zo massaal naar dat eiland, dat het in de kuststeden een chaos werd… naar Nederlandse maatstaven.

Mien zat in Batavia en om naar Nieuw-Guinea te mogen, moesten ze een echtpaar vormen, dus trouwden ze ‘MET DE HANDSCHOEN’ en reisde Mien af naar haar Ries in SORONG.

De omstandigheden op Nieuw-Guinea waren volgens de regering zo schrijnend, dat ze de immigratie begin 1951 van het ene op het andere moment stopten. Boten die onderweg waren, werden botweg teruggestuurd. Zo ook het vrachtschip de WAIBALONG, op weg van Java naar MANOKWARI, met een groot aantal vluchtelingen aan boord. Het schip had niet voldoende brandstof voor de terugreis en meerde af in SORONG. Daar gingen, tegen de opdracht in, stiekem enkele gezinnen van boord. De Gouverneur hoorde dat en beval Henk van Andel iedereen terug aan boord te jagen, DESNOODS GEWAPENDERHAND!

Toen sprong Ries uit zijn vel en riep woedend dat hij dat NIET ging doen. Deze mensen zouden op Java worden VERMOORD… dit zijn mensen die de JAP ÈN DE BERSIAP hebben overleefd… deze mensen SCHRIKKEN niet van primitieve omstandigheden. Henk van Andel ging achter hem staan en negeerde de opdracht van zijn baas. Zodoende kwamen de passagiers enkele dagen later, met een andere boot, toch in Manokwari aan. Één van die laatste passagiers was mijn MOEDER en zodoende hebben mijn zusje en ik aan Ries te danken dat wij bestaan.

 

Rond 1960 werd op NIEUW-GUINEA een tijdelijke regering gevormd en speelde mijn vriend Maresch als adviseur een belangrijke rol op weg naar ONAFHANKELIJKHEID van mijn geboorteland. Mogelijk was hij zelfs betrokken bij de keuze van onze vlag.

Helaas besliste de VN anders, en moest Ries met zijn gezin, in augustus 1962… een maand eerder dan wij… het PARADIJS verlaten.

Ook in Nederland was hij zeer succesvol. Met zijn studie Indologie kon hij zijn academisch niveau bewijzen en werd aangenomen als Hoofd Personeelszaken van de Faculteiten Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Katholieke Universiteit in Nijmegen.

Zijn politieke partij kreeg hem ook in het oog en vroeg hem zijn talenten in te zetten voor de gemeente. Ries zei JA en werd gekozen in de Gemeenteraad van Nijmegen. Raadslid bleek echter niet iets voor de GLOBALE DENKER Ries Maresch. Scheve stoeptegels en kinderspeelplaatsen boeiden hem niet echt. Toch heeft hij zich naast zijn drukke baan, voor de gemeente ingezet en zijn termijn vol gemaakt.

Van personeelszaken wist hij niets, maar heeft zich middels zelfstudie alle facetten van dat vak eigen gemaakt, en is ZO GOED geworden dat hij een grote bijdrage heeft geleverd aan het wetenschappelijke TOP-NIVEAU van de universiteit. Zijn omgeving zag dat, heeft hem voorgedragen voor een lintje, en op enig moment ‘heeft het de koning behaagd…’ en benoemde Ries tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.

Daar ligt dus in alle opzichten een GROTE TUAN.

Ik sluit af met het gezegde; ‘Sterven is verhuizen van de wereld naar het hart van de mensen die van je houden. Daar leef je verder.’

RIES, OUWE VRIEND… JE ZIT IN MIJN HART… SLAMAT DJALAN EN TOT ZIENS!