21-02-2021: MIJN SOLDATENVERJAARDAG!

Net als veel echte militairen koester ik de dag dat ik voor het eerst mijn uniform aan mocht. Dat was voor mij op MAANDAG 21 FEBRUARI 1972.
 
Eigenlijk was ik op mijn vierde al soldaat, en nu ik tegen de 70 aan loop ben ik het nog… toch was dit voor mij een uitermate belangrijke dag! Al was het maar dat ik toen met vork en mes leerde eten!
 

ÉÉN VAN DE BELANGRIJKSTE DAGEN IN HET LEVEN VAN ERIK BECKING.

Om 5 uur gaat de wekker. Ik sla de dekens van me af. Eindelijk! Lig al uren te wachten. Boven hoor ik geschuifel en de voordeur dicht slaan. O, moeder is al op. Snel trek in m’n kleren aan, stop het zakmes en een extra bril in het door mijn moeder gemaakte toiletzakje en ga naar boven. Inderdaad… ze is al aan het eten koken.
 
‘Mogge Mam.’ ‘Goedemorgen Erik, wil je koffie?’ vraagt ze. Ik plof op een stoel aan de eettafel in de woonkamer. Tafel is al helemaal gedekt. Dikke plakken brood, pindakaas, jam, hagelslag, roomboter, bordjes, messen, grote kan gekookte melk, grote bak suiker. Lekker, ik barst van de honger, zoals altijd, pak twee dikke sneeën en steek een mes diep in de pindakaaspot.
 
Moeder komt binnen met twee koppen dampende koffie en zegt; ‘Niet zoveel ja, de anderen willen ook wat.’ Ik smeer de helft van de pindakaas terug in de pot. Jammer dat ze net binnenkomt. Ik hou van lekker dik, maar natuurlijk denk ik ook aan mijn broertjes en zusjes. Iedereen is nog in diepe slaap, we doen stilletjes aan.
 
‘Pa is net weg. Hij moest vroeg beginnen.’ ‘O, heeft hij gisteravond niks van gezegd. Nou kan ik hem geen gedag zeggen.’
Maar beter zo, toch? Hij houdt niet van afscheid nemen. Hij zegt niets, maar hij vindt het wel moeilijk dat je weggaat. Hij is heel trots maar ook verdrietig, ja.’
 
Ooo… oké, ik snap het… toch? Ja, die vader van ons; niemand weet wat er in die altijd vrolijke kop rond gaat. Altijd de clown uithangen, altijd maar werken, vanavond zal hij ook pas laat weer thuis zijn. Ik ben dan al ver weg. WEERT! Jezus, wat een rot eind.
 
Moeder doet drie scheppen suiker in mijn koffie en giet daarna de halve kan melk erbij. Lekker dikke koffie. Heerlijk, het zal voorlopig wel het laatste bakkie zijn met moeder. Na drie dikke boterhammen met pindakaas ga ik naar boven, hou mijn kop onder de kraan en poets mijn tanden. Douchen hoeft niet, dat heb ik gisteravond al gedaan. Klaar.
 
M’n portemonnee nog. Ligt op de tas. Ook gisteravond klaar gelegd. Check of het gele briefje voor de trein er in zit… en de brief… Ja hoor.
 
Lees nog één keer; U dient met de eerste reisgelegenheid na 0700 uur van huis te vertrekken. U kunt daarvoor gebruik maken van het bijgevoegde VRIJVERVOERSBEWIJS… het gele kaartje.
VRIJ VERVOER… 21 FEBRUARI 1972… KONINKLIJKE LANDMACHT…
O man… wat een heerlijk gevoel… en wat een rotgevoel. Ik moet mijn moedertje verlaten en dat geeft een rotgevoel. Maar ik ga naar WEERT, naar de KMS, dat geeft een heerlijk gevoel, kan niet wachten. Het is nog lang geen 0700 uur- NULZEVENHONDERD uur- maar ik hou het niet meer.
 
‘Ze zullen wel bedoelen de eerste trein uit leiden, Moe, dus ik moet nu weg om de 60 van 6 uur te halen.’ Mijn moeder is stil. Het kleine vrouwtje waar ik meer van hou dan van mezelf is zooo oorverdovend stil.
 
‘Hier… voor onderweg.’ Ze geeft het lunchpakket dat ze voor me heeft klaargemaakt. Ik rits de tas open en prop het er in. Geeft niks, ik eet het toch wel op.
‘Nou mam, ik moet gaan hoor.’ ‘Ja, ga maar, ben je in ieder geval op tijd.’
Ik doe mijn jas aan, pak m’n tas, nou, best zwaar, wat heeft ze er allemaal ingestopt?? Check nog een keer portemonnee, vrij vervoerskaartje. Check. De deur uit.
 
Ik sta buiten, mijn moeder staat binnen. Ze vliegt op me af en klemt zich aan me vast. Ze snikt het uit. Geluidloos, zoals het een KAMPKIND betaamt. ‘Wat een rotgevoel’, denk ik met tranen in mijn ogen. Na een eeuwigheid laat ze me abrupt los en zegt; ‘Ga maar, vanavond wel opbellen hè, dag Erik.’

VRIJ VERVOER.....21 Feb 1972.....KONINKLIJKE LANDMACHT

Ik gooi snel de grote tas op m’n rug en vlucht de straat uit. Kijk niet om. Het is pikkedonker. Alleen de lantaarnpalen zorgen voor een beetje licht. Gelukkig is het droog. Wat een rotgevoel. Waarom wil ik dit? Wat doe ik mijn moeder aan? O jee, daar komt de bus al. ‘LEIDEN – 60.’ Ik steek de straat over en mijn hand op. De bus stopt. Ik leg het gele briefje neer en de chauffeur stampt er een stempel op.
 
De bus is leeg. Ik loop helemaal naar achteren, plof de tas op de achterbank, ga er naast zitten en droog mijn tranen. Zo, het avontuur gaat beginnen!!
‘Dames en heren, we naderen station WEERT. Reizigers voor de richtingen Arnhem, Nijmegen, Den Bosch moeten hier overstappen. Over enkele minuten station WEERT.’
 
Sinds het moment dat ik in de bus stapte vanmorgen om NULZESHONDERD uur een glimlach op m’n bek. Man o man, wat voel ik me goed. Wat heb ik hier een enorme zin in. Ik zal die ROTRUSSEN wel even tegenhouden. Wat ben ik hier blij mee.
DRIE WEKEN EERDER!
 
‘Wat voor werk wilt u doen, meneer Becking?’ Ik schrok van de vraag van de psychiater, want nooit eerder had iemand mij ‘MENEER’ genoemd. ‘Maakt niet uit. Iets met mensen. Ik wil met mensen werken èn iets nuttigs doen.’ Dat was drie weken geleden op de BAVO bij ons in het dorp.
Twéé weken geleden dezelfde vraag, maar dan door een psychiater in een mooi uniform in een kazerne in Amersfoort. Wel apart toch? Ga je solliciteren bij een psychiatrisch ziekenhuis, de BAVO, krijg je de vraag en ga je solliciteren voor het leger, krijg je wéér die vraag.
 
De officier vroeg ook welke rang ik wilde bereiken in het leger. ‘KAPITEIN!’
‘Maar meneer Becking, heeft u zich wel goed geïnformeerd? De eindrang van een onderofficier is ADJUDANT! Waarom wilt u kapitein worden?’
‘Omdat mijn opa LAURENS BECKING ook KAPITEIN was.’ Tegen deze logica was geen kruit gewassen en de officier stuurde me weg.
Een week geleden kreeg ik toevallig twee brieven tegelijk;
één van de Sint BAVO, psychiatrisch Ziekenhuis te Noordwijkerhout en één van ‘MINISTERIE VAN DEFENSIE.’
Ik bleek bij beide het goede antwoord te hebben gegeven.
 
‘U bent goedgekeurd en op 1 maart 1972 kunt u zich melden om aan de opleiding leerling-verpleegkundige B te beginnen… Hoofd P&O, Sint BAVO.’
 
En de andere, gelijk al veel spannendere: ‘Bla, bla… U bent GOEDGEKEURD voor het volgen van de opleiding voor onderofficier aan de KONINKLIJKE MILITAIRE SCHOOL, Van Horne Kazerne te WEERT. U dient met de eerste…’
 
Ik belde gelijk naar Oom Fred:
‘Natúúurrrrlijk ben jij goedgekeurrrrd… weet je wel hoeveel geld me dat heeft gekost… al die doktoren omkopen! Nee hoorrrrr, grrrrapje dese. Prrroficiat jongen… Vooorrrtaan niet meerrrr Oom Prret hierrr oom Prrret daarrrr, maar hewoon ‘ADJUDANT BECKING’, ja.’
 
Dat was mijn Oom Pret, de broer van mijn vader, adjudant bij de Genie. Het was zijn idee om me aan te melden voor de KMS. Hij zorgde voor de formulieren.
Maar wat nu? Wat moet ik doen? De Bavo? Kan ik lekker thuis blijven wonen. Lekker bij VVSB blijven voetballen. Allemaal lekkere wijven. Al m’n vrienden wonen hier. Mijn broertjes en zusjes.
 
Zou ik ooit psychiater kunnen worden? Nee, wel psycholoog. Maar dat kan in het leger ook. Kan ik in het leger officier worden? Ja, ik weet zeker dat ik KAPITEIN word.
 
Was het een moeilijke keus? Nee, natuurlijk niet. Natuurlijk was voor mij maar één ding mogelijk. Ik ben al mijn leven lang soldaat. Wat moeten ze me eigenlijk nog leren? Ik kan zo de opleiding overslaan. Het was een luxeprobleem waarbij de keuze voor mij geen keuze was. Ik hunkerde naar het uniform. Naar de wapens. Naar het avontuur. Naar mijn land te dienen.
STATION WEERT MAANDAG 21 FEBRUARI 1972.
 
Met deze gedachten stap ik als 18 jarig jongetje in Weert uit de trein. Lang krullend haar, Omabrilletje, sjovel gekleed. Onzeker, toch wel, maar met nog steeds die glimlach.
 
‘LICHTING 72-1 KMS. HIER MELDEN.’
 
Twee mannen in soldatenkleding houden een bord met deze tekst omhoog. Er staan al wat andere jongens. Ik ga er heen en zeg dat ik me kom melden. ‘Hoe heet je?’ ‘Erik Becking.’ ‘PEKKING??… Staat niet op de lijst.’
‘Nee, B-Becking, met een BÉÉÉ.’
‘Met een BRAAAVOOO!!?? BEKKING… staat niet op de lijst… O ja, toch, hier onderaan… met pen bijgeschreven.’
 
Hè, MET PEN BIJGESCHREVEN? Wat is dat nou? Komt zeker omdat ik pas vorige week gekeurd ben.
‘Oké, blijf maar even hier staan. We wachten nog op één rekruut.’
Even later komt een lange vent met een weekendtas aan gewandeld.
‘Moet ik me hier melden?’ vraagt hij in een groningsboeren accent. ‘Hangt ervan af hoe je heet, boertje.’
‘Geeert Bakkerrrr.’
 
‘Oké, mannen’, zei de soldaat met een gouden streep op zijn schouder, ‘ik ben SERGEANT RIETVELD en hij is KORPORAAL Lammers, wij brengen jullie naar de kazerne… VOLGEN!!’
 
Het groepje opgeschoten pubers pakt hun tassen en loopt schoorvoetend achter de soldaten aan. ‘Nou, kom op! Loop een beetje door! Jullie willen toch soldaat worden?!’
 
De sergeant heeft de pas er goed in. Wij kunnen hem niet bijhouden en gelukkig hoeven we niet ver. Op de parkeerplaats naast het station staan drie soldatenvrachtwagens met de stoere neus ons op te wachten.
 
WAUW, WAT EEN HEERLIJK GEVOEL. HET GAAT BEGINNEN!!! IK WORD SOLDAAT!!
Onze sergeant loopt om de rechter vrachtwagen heen naar de achterkant. Als we eindelijk allemaal zijn aangesloten haalt hij een veiligheidspin uit een stalen lipje. De andere soldaat doet hetzelfde aan de andere kant en samen laten ze een klep naar beneden zakken. We kijken in de achterbak van een legendarisch legervoertuig, een DIKKE DAF!! Allemachtig, wat hoog. In de klep zitten aan beide kanten uitsparingen. De sergeant zet zijn voet in een van de gaten, pakt met zijn hand de stang aan de zijkant en zwaait zich in één beweging in de bak. ‘Gezien!’ en springt er uit. ‘Instappen heren.’
 
We stuntelen allemaal de vrachtwagen in. Aan de zijkanten is de bak ongeveer 40 centimeter verhoogd. Dat zullen de banken zijn en we gaan zitten. De soldaten tillen de klep omhoog en plaatsen de veiligheidspin weer terug in het gat.
‘Oké, mannen, hou je maar aan mekaar vast. Niet gaan staan, gewoon blijven zitten en zeker niet over de klep hangen! We gaan naar de kazerne.’
 
De motor wordt gestart. Wauw, wat een machtig geluid. Wat een heerlijk gevoel. Wat kijken die andere gasten bang. Ik moet daar inwendig om lachen. Jongens toch, dit is toch het mooiste wat er is?
Het ritje duurt maar een minuut of tien. We stoppen en ik kan me niet bedwingen. Sta toch op, loop naar achteren, hang over de klep en kijk om het hoekje van de huif naar voren.
 
WAUW, WE STAAN VOOR DE KAZERNEPOORT… ‘VAN HORNE KAZERNE.’
 
Adrenaline jaagt door m’n lijf. Helaas kijk ik ook recht in het gezicht van de sergeant, die door het raampje naar achteren kijkt.
 
‘WIL JIJ ALS DE BLIKSEM WEER GAAN ZITTEN. EIGENWIJZE DONDER!!’
 
O jee, dat begint niet goed. Mijn lotgenoten delen mijn enthousiasme niet… behalve ééntje, die komt naast me om het hoekje naar voren kijken en krijgt dezelfde donderpreek.
 
 
 
‘Het goat beginne hee’, zegt ie in plat broabants en gaat weer zitten.
We hebben geen flauw idee wat ons te wachten staat en dat maakt ze allemaal onzeker, behalve dat Brabants boertje, nou ja boertje, hij ziet er heeeel sterk uit, en ik.
 
MENSEN, MENSEN, WAT KOESTER IK DEZE DATUM